CONCEPT-BEGROTING 2020

Inleiding

Het jaar 2020 is het tweede volledige jaar van deze collegeperiode. Ook deze meerjarenbegroting is een verdere vertaling van het door de raad vastgestelde college programma 'Verbinden, Vertrouwen, Vooruitgaan', Deze begroting moet ook in samenhang met het collegeprogramma worden gelezen. De ambitie van het college is en blijft: een gemeente waar het goed wonen, werken, leren en recreëren is. Dat vraagt om een actieve overheid, maar ook actieve en betrokken bewoners. Wij willen dit werk doen met een verbindende bestuursstijl die goede resultaten voor en met de samenleving realiseert. Wij vinden het belangrijk, dat voor de verschillende vraagstukken van deze tijd een aanpak wordt gekozen die daar het meest geschikt voor is.

We zijn er in geslaagd om de raad een sluitende begroting aan te bieden maar dat was geen eenvoudige opgave. De voorlopige uitkomsten van het begrotingsresultaat waren negatief: De begroting en het meerjarenperspectief lieten tekorten zien. Dit werd veroorzaakt door zowel tegenvallende baten als noodzakelijke hogere uitgaven. Voorbeelden van tegenvallende baten zijn een lager accres van het gemeentefonds en het feit dat het rijk slechts een incidentele oplossing wil bieden voor de problematiek rond de middelen voor de jeugdzorg. Om de bedrijfsvoering en onze huisvesting op orde te brengen en houden zijn structureel extra middelen nodig voor I&A en onderhoud van gemeentelijke accommodaties. Verder zijn extra middelen noodzakelijk om het coalitieakkoord uit te kunnen voeren.
Om toch een sluitende begroting aan te kunnen bieden is een aantal maatregelen genomen die met name een verlaging van de lasten tot doel hebben.
Zo is de post voor onvoorziene uitgaven verlaagd van € 80.000 tot € 20.000. U krijgt dit najaar nog een voorstel over het onderhoud van de gemeentelijke accommodaties waarbij wordt voorgesteld om een deel van de accommodaties af te stoten, om daarmee de stijging van de onderhoudskosten te beperken. Verder zal in datzelfde voorstel worden voorgesteld om een incidentele dotatie aan de voorziening onderhoud gebouwen te doen, waarmee de stijging van de structurele dotatie de komende jaren beperkt kan blijven.
Om voor de komende jaren de speerpunten uit het coalitieakkoord op het gebied van economie te kunnen realiseren wordt de Reserve Recreatie en Toerisme samengevoegd met de Reserve Economie tot de Reserve Economie en Toerisme. In deze samengevoegde reserve wordt in 2020 een incidentele dotatie voorgesteld. Daarmee drukken de kosten niet meer op de begrotingsjaren 2021, 2022 en 2023. Hetzelfde wordt voorgesteld voor de reserve duurzaamheid.
Verder wordt voorgesteld om met ingang van 2022 het bedrag aan precariobelasting, wat niet meer door Oasen in rekening wordt gebracht, om te zetten in een aanvullende verhoging van de OZB.
Met deze en enkele andere maatregelen hebben we het resultaat van de begroting 2020 en het meerjarenperspectief in ieder jaar positief weten te krijgen.
Daarmee hebben we voor nu het beoogde resultaat bereikt maar er is een aantal ontwikkelingen die een groot effect kunnen hebben op de financiële positie van de gemeente. De belangrijkste benoemen we hier.
De grootste onzekerheid betreft de herverdeling van de algemene uitkering uit het gemeentefonds. De algemene uitkering is veruit de grootste inkomstenbron voor de gemeente. De middelen uit het gemeentefonds worden aan de hand van een ingewikkelde formule verdeeld over alle gemeenten. Op dit moment wordt deze formule geactualiseerd waardoor met ingang van 2021 een andere verdeling wordt gehanteerd. Op dit moment is niets te zeggen over de uitkomsten, maar de kans is groot dat dit tot aanzienlijke verschuiving in de financiële positie van de gemeente gaat leiden.
Daarnaast blijven de middelen die het rijk beschikbaar stelt voor jeugd een bron van zorg. Zoals hierboven aangegeven zijn hiervoor incidenteel middelen beschikbaar gesteld. Het is nog niet duidelijk of en in welke mate, hier een structurele oplossing voor komt.
De investeringen in de IKC’s en met name ook de structurele lasten van de exploitatie daarvan kunnen een aanzienlijk effect hebben op de komende begrotingssaldi. Het is nog te vroeg om hier een concreet beeld van te geven maar het is zeer de vraag of dit binnen de bestaande middelen kan worden opgevangen.
We hebben, ook naast de al genoemde IKC’s, voor de komende jaren een aanzienlijk bedrag aan investeringen op de planning staan. De ramingen voor deze investeringen zijn gebaseerd op zo goed mogelijke schattingen. De praktijk leert dat de afgelopen jaren de kostenstijging dit soort investeringen vaak hoger is dan waar bij het samenstellen van het investeringsplan rekening mee is gehouden. Als deze ontwikkeling zich doorzet zullen investeringskredieten naar boven bijgesteld moeten worden. Dit heeft tot gevolg dat de structurele kapitaallasten stijgen en daarmee het begrotingssaldo verslechtert.
Tenslotte moet de ontwikkeling van de kosten van afvalinzameling en verwerking genoemd worden. Door diverse ontwikkelingen die wij niet in de hand hebben verwachten we hier de komende periode een grote stijging van de kosten. Aangezien het beleid is om voor het afval een kostendekkend tarief te hanteren heeft dit geen gevolgen voor de gemeentelijke begroting maar het zal voor de inwoners van deze gemeente wel leiden tot hogere lasten.

ga terug